Boek ‘Tottel’ uitgifte in 2018

De tip van Johanna…

Wis

Als je aan een psychopaat denkt, zie je gemiddeld genomen het algemene beeld voor je van een zonderling, kwaadaardig en gevaarlijk persoon. Een gestoorde gek aan wie je het duidelijk af kunt lezen, een perverse viezerik. Aan wie je het al ziet als je in zijn ogen kijkt. De griezel die je, met schuim om de mond, met een bijl achterna zit. Iemand als sekteleider en moordenaar Charles Manson bijvoorbeeld. Of het personage Jack uit het verhaal van The Shining van Stephen King.

We willen onszelf graag wijsmaken dat dit type kwaadaardigheid in de mens niet zo vaak voor komt, liefst ver van ons vandaan plaatsvindt, altijd ergens anders zijn slachtoffers maakt. Omdat we nu eenmaal graag in heldere en overzichtelijke hokjes denken. Dat voelt veilig omdat we de gedachte niet kunnen verdragen dat het kwaad zich gewoon onder ons bevindt.

Helaas is dat wel zo. Het vermomt zich als een heel gewoon persoon. De buurman, zijn vrouw, dorpsgenoot of zelfs je baas. Je kunt ze vinden op iedere werkplek, hoog in de organisatie. Zeker in bedrijven waar het vooral draait om macht en geld. Misschien ben je er mee getrouwd of ben je zelfs uit hem of haar voortgekomen.

Die gedachte is angstaanjagend. Het schopt ons gevoel van veiligheid onderuit en maakt dat we gedwongen op onze hoede moeten zijn. Je ziet het aan de gewone ‘next door’-personage immers niet af en wie kunnen we dan nog vertrouwen?

Maar als je goed kijkt, je verlangen naar dat veilige hokje durft los te laten, de gedachte durft toe te laten dat zo iemand wel eens dichterbij kan zijn dan je zou willen, als je weet waar je naar moet kijken, dan kun je ze herkennen. Dan kun je ze zien. En er je voordeel mee doen. Maken dat je op tijd wegkomt bijvoorbeeld.

Dat is wat ik deed in het voorjaar van 1995.

Proloog

Advertenties

Gesloten motieven…

IMG_3659

“Wat doe jij nou?”, vraagt ze terwijl ze onzeker een stap naar de uitgang doet en langs hem heen probeert te kijken. “Draai je nou de deur op slot?”

Hij blokkeert met zijn lichaam de smalle doorgang tussen haar en de deur van de caravan terwijl hij zich naar haar toe draait. “Ik draai niets op slot, kijk maar”. Hij draait opzichtig de metalen knip aan de bovenkant van de deur een paar keer van de deurpost af en weer terug erop.

“Je weet best dat ik het niet heb over die knip. Ik heb het over het slot in die klink.”

“Oh die, nee joh, die heb ik niet op slot gedraaid. Je weet toch dat ik de deur alleen met die knip afgesloten wil hebben? Als er brand uitbreekt, moeten we er uit kunnen. Kom eens hier, ik heb je gemist, lastpak dat je bent.” Hij buigt naar voren en trekt haar naar zich toe. “Vertrouw je me soms niet?” Zijn woorden klinken zacht. Plagerig trekt hij zachtjes aan een rode pluk haar dat uit de knot op haar hoofd is losgeraakt en op haar schouder rust. “Weet je, rooie, jij mag van geluk spreken dat ik zo vergevingsgezind ben.”

Ze reageert er niet op. Meteen maakt ze zich weer los uit zijn greep en doet een stap naar achteren terwijl ze haar blik op het slot gericht probeert te houden. Er steekt geen sleutel in.

“Maar ik zag je de sleutel toch omdraaien? Waar heb je hem gelaten? Die kan er toch gewoon op blijven zitten?” Het wantrouwige onderbuikgevoel is weer terug om opnieuw de strijd aan te gaan met haar nuchterheid. Over het algemeen genomen is ze behoorlijk rationeel ingesteld. Feiten en omstandigheden, de twee belangrijke pijlers in het politiewerk, ze sluiten naadloos aan op haar karakter. Daarnaast wandelt haar weerzin mee tegen het gemak waarmee de mens vaak blindelings de massa volgt en zijn individuele principes en waarden domweg overboord gooit wanneer hij ziet dat de meute achter iemand aanhobbelt met een grotere bek. Of als hij er toevallig die keer zijn voordeel uit kan halen.

“Waarom moet die deur nou ineens op slot?”, houdt ze vol.

“Ik héb die deur niet op slot zitten, dat doe ik nooit. En nou hier komen!” Opnieuw probeert hij haar naar zich toe te trekken.

Maar zo vlug geeft ze zich niet gewonnen. “Maak hem eens open dan?” Ze probeert langs hem af naar de klink te grijpen. Hij houdt haar wat lacherig tegen. “Stop daarmee. Ik vind het niet leuk. Waarom mag ik niet zien dat je hem niet hebt afgesloten?”

“Waarom vertrouw jij mij niet?! Áltijd moet jij moeilijk doen!” Hij kijkt haar ineens weer vol afkeer aan. Het is dezelfde vijandigheid waarmee ze de laatste weken steeds vaker wordt geconfronteerd. Ze zou er inmiddels aan gewend moeten zijn. Toch schrikt ze iedere keer weer van het gemak waarmee hij zijn stem van een innemende klank ineens kan laten ontploffen tot de harde en kwaadaardige intonatie waarmee hij haar dan de meest hatelijke dingen toe slingert. Het lijkt wel of hij daar iedere keer nog een schepje bovenop doet.

Met één pas staat hij voor haar. Ze voelt zijn adem in haar gezicht als hij zijn ijsblauwe ogen priemend in haar blik vast haakt en zijn stem klinkt zacht en beheerst als hij haar toebijt. “Begin jij nou weer met ruzie? Ik probeer iets goed te maken en jij doet weer moeilijk! Wanneer léér jij het nou eens, stomme trut?” Een vage geur van alcohol vermengd met die van knoflook dringt haar neusgaten in. Ze knippert met haar ogen en draait haar gezicht een kwartslag opzij om ongemerkt meer ruimte te creëren in de minuscule afstand tussen zijn gezicht en het hare terwijl ze het gevoel probeert te negeren dat ze ieder moment in haar broek kan plassen.

“Rustig nou maar…”, probeert ze hem te kalmeren. “Ik stel toch alleen maar een gewone vraag? Ik bedoel er verder niets mee. Je weet hoe ik ben met afgesloten ruimtes.” Ze voelt zich ongemakkelijk in de positie waarin ze zich nu bevindt. Ze houdt er sowieso niet van om opgesloten te zitten. In een volle zaal met mensen zoekt ze haar plaats daarom ook altijd zo dicht mogelijk bij de uitgang. En altijd op een stoel die grenst aan een looppad. Ze wil altijd haar uitweg naar buiten hebben.

Ergens klinkt weer dat schimmige stemmetje dat haar van binnenuit iets probeert te zeggen. Dat ongemakkelijke gevoel, die warrige twijfel, die vage associatie met angst waar ze haar vinger maar niet op kan leggen en dat ze om die reden ook altijd weer probeert weg te rationaliseren. Waar komt dat onbestemde gevoel toch steeds vandaan? Waar probeert haar intuïtie haar dan voor te waarschuwen? Waarom zou hij überhaupt iets naars met haar van plan zijn?

“Waar wilde je over praten eigenlijk?”, vraagt ze, en poogt daarmee de aandacht af te leiden van het stroeve contact over de afgesloten deur. Het voelde niet goed als hij zich zo onvoorspelbaar gedroeg. Ze was niet bang aangelegd, maar voor zijn woede uitbarstingen was ze wél huiverig. Ze speelde altijd graag op safe en had de touwtjes strak in handen als het haar eigen leven betrof maar op een of andere manier leek die regie, als ze bij hem was, steeds uit haar handen te glippen. Voordat ze het wist leek ze met hem telkens weer in een ongemakkelijke situatie te zijn verzand of deed ze steeds iets verkeerd in zijn ogen. Niemand wist dat ze hier was op dit late tijdstip. En met de wetenschap dat de camping in deze late tijd van het jaar helemaal uitgestorven was, op een enkele pas gescheiden man na, die hier en daar in een van de chalets op het terrein zijn toevlucht had gezocht, en de wetenschap dat die deur ook nog eens op slot zat, voelde ze zich niet op haar gemak. Eigenlijk had ze gewoon thuis in haar warme bed moeten blijven vanavond maar ze was zo opgelucht geweest toen hij haar vanavond had wakker gebeld, na dagen totale radiostilte.

“Nergens over. Ik miste je gewoon. Ga nou even zitten, troel. Wil je wat drinken?” Hij klopt op de kussens van de banken die als een matras in elkaar gepuzzeld liggen op de neergeklapte tafel en zo tot een bed zijn omgebouwd. Op het bed liggen twee dikke, tot één geheel aan elkaar geritste, winterslaapzakken. Bij de instapopening van de slaapzakken ligt één hoofdkussen in een sloop met een zwart-witte design print.

Uit het boek met de werktitel ‘Tottel’, uitgifte medio 2018. © JJMB Tops

IMG_3660

Affectie van steen…

img_3345

Affectie van steen

Behoedzaam plaatste ze haar zwarte veterschoenen op de stoeptegels. Stap voor stap, tegel voor tegel, éen, twee, drie, vier, vijf… Ze wist al hoeveel het er waren. Precies duizendvierentwintig. De laatste tegel eindigde bij de til met duiven waar Wouter altijd voor mocht zorgen. Vandaag probeerde ze de lijnen tussen het gesteente niet te raken. Dat was niet zo moeilijk. Ook al had ze inmiddels weer een schoenmaat groter, haar schoen paste gemakkelijk tussen de voegen op het harde grindsteen van het keurig recht bestrate rasterpatroon van het plein.

Ze verafschuwde de schoenen die ze had gekregen inmiddels hartgrondig. Liever had ze die zwart suède schoenen gekregen, met een kleine sleehak en zo een bandje om de enkel. Daar liepen alle meisjes in de klas mee. En ze waren nog goedkoper geweest dan deze. Eigenlijk had ze niet goed begrepen waarom ze deze had moeten kiezen van haar moeder toen ze naar de andere in het rek had gewezen maar ze zweeg maar liever toen ze de mond van haar moeder in een onverbiddelijke streep had zien veranderen. Een paar meisjes waren in lachen uitgebarsten toen ze de klas binnen was gekomen. ‘Die schoenen…’, had Ineke gegild. De rest van het groepje deed al snel mee. Tijdens de handarbeidles had Karin er hard op gestampt, toen juf Veenstra even de klas uit was gelopen. ‘Zo, nou zijn ze niet meer nieuw.

Vanuit de kolossale bomen achter de stenen muur van het plein fladderden een groepje merels achter elkaar aan in de lucht. Het gekwetter van hun gele snavels klonk, boven het gejoel van de klassen uit, als een uitdagende lokroep naar elkaar. De maandag was begonnen met een donkergrijs wolkendek dat geen enkel kiertje open liet voor de zon. De regenval van die nacht had donkere plekken achtergelaten op de tegels. Zeshonderdachtenveertig…

 

img_3343

Uit het boek met werktitel ‘Tottel’, uitgifte in 2018

© JJMB Tops

De verrassing…

IMG_2911

“Stap in, Rooie, ik wil je iets laten zien…”. Zijn blauwgrijze ogen keken licht samengeknepen naar haar omhoog. Hij zat achter het stuur van zijn zilvergrijze Mercedes 190. De motor draaide. Vanuit haar linkerooghoek had ze een donkere vlek achter haar bemerkt die langzaam met haar mee leek te rijden. Een auto, vermoedde ze, en ze wachtte op het moment dat deze haar zou passeren. De donkere schimmigheid bleef echter volgen. Op gepaste afstand reed het voertuig met haar mee. Geïrriteerd keek ze een keer opzij om te zien waarom hij niet doorreed. Een lichte huivering trok door haar lichaam toen ze hem herkende.

Ze aarzelde. Hij had weer die onpeilbare blik in zijn ogen die ze de laatste weken al vaker had gezien en ze kreeg er steeds vaker een onbestemd gevoel van. Vaak bleek hij dan in een humeurige stemming. Dominant, autoritair, op ruzie uit, kwetsend, soms ronduit beledigend. Later had hij spijt en kwamen de verontschuldigingen. Een zware dag op het bureau. Een zanikende districtschef. Of zijn ex-vrouw was weer eens verschrikkelijk moeilijk geweest. Er sloop de laatste tijd echter een patroon in hoe hun contacten verliepen die haar intuïtie vaag deed alarmeren, al kon ze er haar vinger niet op leggen. Die ingebouwde graadmeter, die nekharen die haar niet veel goeds voorspelde, nog voordat ze überhaupt wist wat het was en waarom. Haar verstand negeerde die intuïtieve rookmelder te vaak.

“Wat wil je me laten zien dan?”, vroeg ze, daarmee de beslissing om in te moeten stappen nog even uit te kunnen stellen. Iets weerhield haar om de klink van het portier vast te pakken. Het raam van het portier aan de bijrijderskant had hij naar omlaag gedrukt. Zijn hoofd licht gebogen, zijn handen op het stuur terwijl de subtiele, haast sardonische trek om zijn mond vertrok tot een brede geamuseerde grijns en de pretlichtjes in zijn ogen terugkeerden.

“Dat is een verrassing”, antwoordde hij. “Stap nou maar in, je zult zien, het is leuk.”

Even twijfelde ze nog en zocht naar een excuus. Ze waren de laatste keer dat ze elkaar hadden gesproken immers niet fijn uit elkaar gegaan toen hij kwaad naar zijn eigen huis was gegaan. Althans naar zijn caravan die hij had gestald op een vakantiepark en waar hij woonde sinds hij was gescheiden. Ze had niet begrepen waarom hij weer zo was ontploft. De sfeer sloeg de laatste tijd steeds vaker om. Om de kleinste dingen kon hij plotseling vlam vatten.

Afgelopen week was hij onverwachts binnengekomen in haar studio. Hij had gesport en gooide zijn sporttas voor zijn voeten op de grond terwijl hij erbij ging zitten op haar bank. Met een knerpend geluid ritste hij een zijvak van de tas open en haalde er een vuurwapen uit. Ze had gezien dat het een klein type pistool was, anders en kleiner van formaat dan de Walther P5, haar eigen dienstwapen dat ze tijdens haar diensten droeg. Trots had hij hem onder haar neus gedrukt. Zij trok er haar neus bij op. Ze hield niet van wapens. Ze had een vaste hand van schieten, maar voor haar was het niet meer dan een noodzakelijk werktuig dat haar, haar collega’s en de maatschappij moest beschermen tegen het gevaar dat kon loeren tijdens de uitoefening van haar werk, verder was er niets moois aan, in haar optiek. Een keer had ze haar pistool tijdens een nachtdienst uit voorzorg ter hand moeten nemen toen er tijdens een melding schoten waren gehoord. Verder hoopte ze het kreng nooit meer uit haar holster te moeten halen, anders dan voor de opberging in haar kluisje op het bureau en de driemaandelijkse beroepstrainingen.

“Heb jij daar wel een vergunning voor?”, had ze hem gevraagd. “Nee, snotneus, maar dat is ook niet nodig. Het is een Smith & Wesson, mijn oude dienstwapen voordat we de Walter P5 ging gebruiken. Hij lag nog in huis bij mijn ex en ik moest hem van haar meenemen. Dat zeikwijf wilde hem niet meer in huis hebben maar ik vind het te link om hem in de caravan bewaren.” Als het hem uitkwam liet hij haar graag voelen hoe ervaren hij al was tegenover haar. Al ging hij er anderzijds wel weer prat op dat hij met zijn negenendertig jaar nog zo’n jong blaadje had gescoord. “Ik leg hem een tijdje bij jou neer.”

Bam! Zonder overleg. Zonder ook maar fatsoenlijk te vragen of ze daar wel op zat te wachten. Hij klom de loft op naar het slaapgedeelte van haar studio en schoof de plank weg die een ruimte verborg dat plaats bood aan haar persoonlijke papieren. Nadat hij het pistool er in had gelegd, schoof hij de plank weer onzichtbaar terug op zijn plek.

“Weet je echt zeker dat dit legaal is?”

“Maak je niet zo druk”, lachte hij om de weifelende uitdrukking op haar gezicht. Die van hem verzachtte enigszins bij het zien van haar twijfel.

“Geen mens die dit plekje kent, dat heb je zelf gezegd, Rooie.”

“Dat vroeg ik niet. Ik vroeg je of dit wel toegestaan?”

“Jahaaa. Dit is gewoon mijn eigen wapen geweest. En nou weg met dat zorgelijke smoelwerk. Daar krijg je rimpels van.” Daarna was hij van de loft af naar beneden geklommen en had haar in zijn armen genomen.

“Echt, er is geen enkele reden om te miepen.”, zei hij terwijl hij vertederd het haar uit haar gezicht streek.

Die avond was hij terug naar de caravan gegaan. Toch had het haar niet lekker gezeten, ze had er van in haar bed liggen woelen, was zelfs uit bed gekropen en had er in het holst van de nacht haar schiet- en geweldsinstructies van de politieopleiding nog eens op nageslagen. Nergens vond ze terug dat het niet mocht maar ook niet expliciet dat het wel was toegestaan om als politieagent het vorige dienstwapen te behouden wanneer het vervangen werd. Wat haar betrof werd dit dan gewoon een ander wapen waar je een vergunning voor moest hebben en hoorde dit gewoon te worden ingeleverd, wat hij er ook over beweerde. Je dienstwapen was immers nooit jouw persoonlijke eigendom.

Hij was hij in woede ontstoken toen ze hem de ochtend erna had opgebeld en had gevraagd het ding weer op te komen halen. Hij had haar allerlei verwensingen naar het hoofd geslingerd. Ze stelde zich alleen maar verschrikkelijk hysterisch aan, zoals áltijd. Ze vertrouwde hem niet, daarom wist hij ook niet meer of hij eigenlijk wel met haar verder wilde. Hij moest toch op haar kunnen rekenen? Collega’s bij de politie steunden elkaar door dik en dun. En zij liet hem dus gewoon barsten? Dat werden ‘matennaaiers’ genoemd. En wat stelde hun persoonlijke relatie dan voor? Als politievrouw, als mens, maar bovenal als zijn vriendin? Ze moest nog veel leren, had hij haar toegebeten.

Dat had haar allemaal toch aan het twijfelen gebracht en een rotgevoel gegeven. Had ze het dan zo verkeerd beoordeeld? Beschaamd en geraakt had ze geprobeerd zich te plooien tussen haar eigen gevoel en hem tegelijkertijd toch tegemoet te komen. Dat ze zich er gewoon niet veilig bij voelde, de verantwoordelijkheid te groot vond. Eigenlijk gewoon om dezelfde reden als waarom zijn ex-vrouw het stuk ijzer het huis uit had willen hebben. Het was zeker niet persoonlijk naar hem bedoeld. Heus niet. Haar pleidooi had hem niet veel milder gestemd, al was hij het onding wel op komen halen.

“Wat kun jij de boel op de spits drijven, zeg!” Hij was meteen weer bits in de aanval gegaan nadat hij was binnengekomen.

“Dit is nou precies zo’n reden waarom wijven gewoon niet geschikt zijn om bij de politie te werken. Als ze om zoiets al in de paniek schieten… Denk jij nou werkelijk dat ik het risico neem om mijn baan op het spel te zetten door iets te doen wat niet legaal is? Jij vertrouwt mij gewoon niet. Jij moet echt eens met jezelf aan de slag. Teveel issues heb jij en daarmee ga jij het nooit redden bij de politie.”

“Ik vertrouw je wel, echt, dat doe ik wel. Maar neem hem toch maar mee. Daar voel ik me gewoon beter bij, joh”, en probeerde hem zo wat te ontdooien. ‘Problemen daar laten waar ze thuis horen’, dacht ze er achteraan, maar dat had ze maar wijselijk achterwege gelaten. Ze wilde de sfeer niet nog ijziger maken dan hij al was. Hij was haar met een verwijtende kille blik aan blijven staren, had het wapen zwijgend in de binnenzak van zijn zwarte leren jas gestopt en had zonder iets te zeggen de deur achter zich dicht getrokken en was weggegaan. Hij had die dagen erna ook niet meer gebeld.

Ze voelde zich de laatste tijd steeds rustelozer worden onder zijn toenemende stemmingswisselingen. Hij reageerde steeds vaker stekelig om niets en werd ook grievender naar haar, wanneer ze hem onbedoeld blijkbaar weer eens tegen de schenen had geschopt. Zoals vorige week, toen hij haar met een donkere koude blik had aangestaard op het moment dat ze uit de badkamer was gekomen, gekleed in haar Levi’s jeans en een simpele katoenen longsleeve. Haar lange rode haren had ze in een staart gebonden. Vol afkeuring had hij na een half uur zwijgen laten weten dat hij er op een zondag toch wel op moest kunnen rekenen dat ze een minirok droeg. En waarom had ze haar haren vastgebonden? Ze wist toch dat hij ervan hield als ze haar haren los liet hangen? Het was de aanleiding geweest om haar de rest van het weekend volkomen links te laten liggen met af en toe een hatelijke steek onder water. Bij zijn eerste stemmingsbuien had ze nog flink weerstand geboden en stug gedaan wat ze zelf wilde.

Ze was voor haar vijfentwintig jaar behoorlijk gewend haar eigen boontjes te moeten doppen en ze was ook zeker niet op haar mondje gevallen. Maar naarmate zijn eisenpakket grimmiger werd, brokkelde haar verzet steeds verder af en zocht ze steeds vaker naar een manier om hem ter wille te zijn, zonder dat ze zichzelf verloochende. Zeker vanaf het moment dat hij zijn eerste twijfels was gaan uitspreken over hun relatie, wanneer hij zijn zin niet kreeg. Dat had haar geraakt en onzeker gemaakt. Ze wilde hem zeker niet kwijt, was zo toe aan een beetje meer zekerheid, een stabiele relatie. Iemand tegen wie ze ook eens aan kon leunen als ze het nodig had. Haar romance met hem had de toppen van de schrijnende pijn van het mislukken van haar relatie met Geert afgeschaafd en dragelijker gemaakt. Ze wilde geen liefdesverdriet meer voelen, die brandende pijn op haar borst als ze bedacht dat ze nu eigenlijk samen met Geert door Frankrijk had moeten toeren zoals vorig jaar, het gemis, maar vooral het alleen zijn. En hoewel ze uitstekend voor zichzelf kon zorgen, greep het eenzame gevoel haar met momenten verschrikkelijk naar de strot. Ze wilde geen eenzaamheid meer. Ook al had ze met vallen en opstaan al veel obstakels in haar eentje moeten verslaan, ze wilde nu blijvend bij iemand horen.

Onder de plagerige blik en de jongensachtige grijns die de sardonische trek om zijn mond had verdreven, greep ze de klink van het portier vast en stapte in.

IMG_2912

 

Uit het boek met werktitel ‘Tottel’, uitgifte in 2018 © JJMB Tops.