Wat vindt u daar nu van?

Laten we een lawine maken…

3.2

Heeft u ook zo van die momenten dat het u allemaal even vreselijk tegenzit? Dat u alles uit uw handen laat vallen, uw knie blauw stoot aan het deurtje van het openstaande keukenkastje, dat u plotsklaps ziet dat iedereen zo in zichzelf gekeerd rondzweeft of u verwonderd en wantrouwig aanloert als u hen begroet en u even later zowaar ondersteboven winkelkart, –nog drie stappen en u was haar voor geweest bij de kassa-?

Ik weet het, lieve medemens, er zijn zo van die dagen waarop u zichzelf, net als ondergetekende, vol vertwijfeling afvraagt waar het allemaal voor dient op deze ondermaanse. Waarom nou net ú steeds dat onwelgevallige ten deel valt. Wat de reden is van die houten sjor-voiture waar u zich tot in lengte van dagen voor schrap zet.

Als u goed om u heen kijkt, ziet u dat iedereen zo’n bolderkar met zich meezeult. De een wat voller beladen dan de ander, maar ze trekken hem. Ook ik. En net zoals u ben ik van mening dat de mijne net even iets voller is dan die van allemaal en tot de nok afgeladen met een varia van naargeestig en onguur kommerlijk leedwezen. Alleen het vlaggetje en de lege bierkrat ontbreken nog. Ik begrijp u zo goed!

Wel, het heeft mij bijna een halve eeuw gekost om te gewaarworden dat het leven geen énkel recht geeft op geluk. Daar kijkt u van op, nietwaar? Want eigenlijk was u, met al dat gemak waarmee u bent opgegroeid, met de luxe van de dag van vandaag met een veilig vangnetje hier en daar voor de irritatie van de zintuigen; een pilletje voor de pijn, wat toeslagcentjes van de maatschappij, –u heeft er recht op, u betaalde er immers toch al die jaren voor?– en een boterhammetje door de voedselbank, met de meest smeuïge vanzelfsprekendheid, in de opperste veronderstelling dat u daar ‘recht op had’, net als dat plekje vooraan in de rij van de kassa, met dat ene boodschapje. Laten we wel wezen, fatsoenlijk vragen of u even voor mag dan, –u moet tenslotte de cake nog afgieten-, is tegenwoordig vreselijk ouderwets. U heeft er immers recht op, toch? Dat u daarmee de minder valide medemens wat langer laat lijden, ach, daar knijpt u voor deze ene keer uw oogje even voor dicht. Die ziet u straks toch nooit meer.

Die enkele keer is het probleem ook niet, –die cake zal maar overlopen, ik zou het niet op mijn geweten willen hebben-. Het probleem zit hem in de volgzaamheid van de rest van de roedel. Want sinds jaar en dag is bekend dat de mens zich aanpast aan het gedrag dat de ander in de groep vertoont. En u, die er toch lekker gemakkelijk mee wegkwam, de minder valide medemens was niet in staat om een bijl in uw rug te klieven en liet het bij een dapper aanspreken van uw Oost-Indisch dove oor terwijl u halsstarrig zwijgend van haar weg bleef kijken tot u eindelijk, –niet– aan de beurt was, bent gemakkelijker geneigd om het een volgende keer weer te doen. De rest van het cortège ziet het u doen. Met een beetje pech denkt het hele entourage dat het zo heurt, und so weiter, und so weiter, und so weiter.   

En nu het goede nieuws. U kunt de wereld redden! Nou ja, in ieder geval Nederland. Of, althans, een groot gedeelte daarvan. Daarmee moet dan wel een beroep worden gedaan op uw empathisch vermogen en uw creativiteit. Ik was er al een beetje mee begonnen, maar, lieve medemens, ik kan het niet alleen. En ik weet het, dat is een hele opdracht, maar samen kunnen wij dat, daarvan ben ik overtuigd! Samen staan wij sterk!

Als u nou bij elke stap die u doet, net als ik, ook uw medemens meeneemt in uw kokervisie. U kijkt een keertje naar links, een keertje naar rechts en u draait zich ook nog af en toe een keertje om, dan beloof ik u dat er een veel grotere wereld aan uw voeten ligt dan u dacht. Allemaal mensen met hun eigen verhaal, hun eigen geschiedenis, hun onzekerheden, hun verdriet, hun blijdschap, verliezen en worstelingen.

En als u nou vanaf vandaag ook nog het besluit neemt om de ánder te behandelen op de manier zoals u zelf graag wilt dat er met u wordt omgegaan en bij élk ander besluit, hoe klein die ook mag wezen, vooraf bedenkt wat het eventueel voor gevolgen kan hebben voor de ánder, al is het maar een stapje achteruit wanneer u uw hoofd uit de groentekoeling trekt, dan zou het zomaar zo kunnen, dat de sfeer, tenminste binnen de straal van een paar km om uw lichtende gestalte heen, zo sociabel wordt dat de misère van het leven als vanzelf een heel stukje dragelijker wordt. Als u dan op uw beurt die cirkel weet te overtuigen, dan bewerkstelligen we met z’n allen straks een heel knusse samenleving.

En ook al ziet u om u heen de hardnekkeling toch  volharden in “Ik heb daar recht op, aan de kant want daar kom ik aan”, blijft u dan alstublieft gewoon volharden in uw eigen warmhartige en beminnelijke zelf. Dan volgt de rest van de kudde vanzelf. © JJMB Tops

3.1.jpg

 

 

Advertenties

De Schippersnorm…

sigaar

Onze minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ligt weer eens onder vuur. Dit keer omdat ze op het allerlaatste moment besloot om ‘Orkambi’, een geneesmiddel tegen taaislijmziekte niet in het basispakket van de zorgverzekering op te nemen. Dat vond ze te duur. ‘On-be-grij-pe-lijk!’, hoor ik u denken. En ik denk het met u mee.

Taaislijmziekte is afschuwelijk. De astmatische broeders en zusters, –high five-, onder ons kunnen er een ietsjepietsje over meepraten. Omdat die weten hoe het voelt om bij gelegenheid het genot te mogen beleven om je dagelijkse portie zuurstof door een rietje je longen in te mogen zuigen. Voor mensen met taaislijmziekte is dat rietje nog een graadje dunner. En waar de chronische bronchitispatiënt nog een beetje soelaas vindt in een luchtwegverwijder, zal de taaislijmlijder het moeten doen met de pech een pa en moe te hebben getroffen, die allebei een drager bleken van het gen dat deze ziekte veroorzaakt.

Wat is dat dan eigenlijk, taaislijmziekte? Het wordt ook wel ‘Cystic Fibrosis’ oftewel CF genoemd. Gezonde longen voeren allerhande boosaardig bezoek dat je inademt, met slijm af. Dat slijm maakt zich, als dat lekker dun en soepel is, erg nuttig want het vervoert ook stoffen van je alvleesklier naar je dunne darm. Als je CF hebt, is dat slijm zo taai als een uitgekauwde bubbelgum na achtenveertig uur verwoed kauwen. Dat ademt niet alleen niet zo heel erg jofel, ook je afvalstoffen kunnen daardoor niet goed worden afgevoerd en het taaie slijm hoopt zich steeds meer op in je organen, met als gevolg dat je steeds vaker infecties krijgt aan je longen en de afvoergang, zeg maar de chifon, van je alvleesklier en lever steeds verstopt raakt. En daar worden je organen dan weer niet zo blij van. Met als gevolg dat je levensverwachting met CF momenteel zo om en nabij een slordige vijfendertig tot veertig jaar is.

In de loop der jaren zijn er een aantal soorten geneesmiddelen verschenen, de meeste als symptoombestrijder. Orkambi daarentegen is een middel dat de onderliggende oorzaak op zijn sodeju geeft. En daarvan zegt onze minister nu: ‘Neen, neen, ik ga dat niet in het basispakket opnemen. Dat is veel te duur.’

Net zoals u vind ik daar wat van. Of u daar dan weer zo gelukkig van wordt, valt te bezien, maar ik leg het u even uit. Ik kan onze minister namelijk wel begrijpen. Van dit redelijk nieuwe geneesmiddel heeft een groot aantal mensen met CF opvallend veel baat. Bij een ander even zo groot gedeelte patiënten met CF slaat het dan juist weer niet aan. Dat is eigenlijk best wonderlijk, want, ook al bestaan er verschillende soorten fouten in het DNA bij CF, ook bij mensen met dezelfde DNA-fout werkt dit medicijn voor de een wel en de ander weer niet. Da’s raar, hè? Dat schijnt te maken te hebben met verschillen in de bacteriecultuur waar dat slijm zit.

Maar elke patiënt die er baat bij heeft, is er een, zou je denken. En dat klopt. Reden voor opname in het basispakket dus. Maar dan komt die fijne fabrikant om de hoek kijken. Want die zegt: ‘Da kost wel heul duur, Edith, voor die paar patiënten.’

Dus ging Edith om de tafel met de fabrikant. En die hebben weinig individuele patiëntenzorg in het vizier. Die willen, als bedrijf zijnde, gewoon ordinaire WINST, ja toch zeker? En die verrekken het dus om de prijs betaalbaar te maken. Want als die medicijnen door maar een paar patiënten heel goedkoop worden afgenomen, dan maken ze geen winst. En hoe moet het bestuur van de geneesmiddelenfabrikant dan het golfabonnement betalen? Want da kost ook heul duur.

Alle argumenten met het oog op de individuele patiënt van onze minister ten spijt, de geneesmiddelenfabrikant blijft hoog inzetten op het losgeld. En dan is de vraag; Ga je daar als minister in mee en zet je daarmee de deur open voor de morele chantagepraktijken van allerlei ander bestuursgespuis of houd je die stellig buiten de deur? Want eigenlijk is de vergelijking met een ontvoering niet eens zo heel erg vreemd. Bij die onderhandelingen ga je ook zelden of nooit in op het betalen van de losgeldeis omdat je daarmee óók een deur openzet.

De golfbal ligt dus mijns inziens niet bij onze minister maar bij de fabrikant. De fabrikant wilde er natuurlijk niet op reageren in de media, dat was te verwachten. Je zou het bijna jammer gaan vinden dat je van het roken van een dikke Havanna geen taaislijmziekte kunt krijgen.

Het wordt tijd dat onze regering een norm bepaalt voor de kostprijs van álle medicijnen. Dan noemen we hem de Schippersnorm, is dat geen verschrikkelijk goed idee, Edith? –high five!

© JJMB Tops

Sigaar_roken

 

 

 

Simon en Cecile…

IMG_0020

Mijn addergebroed heeft allebei zo’n Furbiebeest. U kent hem wel, zo’n harig speelgoedbeest dat praat, op verzoek een dansje doet en op zijn tijd een stuitend nutte mop vertelt of u zelfs deelgenoot maakt van zijn duister plan om een veenbessenwildpaté te maken van zijn buurvrouw. Zeer ongewenst want terwijl hij het u uit de doeken doet, draaien zijn oogjes verraderlijk naar binnen, en maakt hij u, zonder dat u het weet, medeplichtig. Op woensdag.

Hoe meer er met hem geconverseerd wordt, hoe uitgebreider zijn vocabulaire. Hij schijnt op den duur zelfs de streken van zijn eigenaar over te nemen. Ik geloof het onmiddellijk want wanneer ik met mijn allerliefste kopstem aan die van mijn zoon vraag of hij alsjeblieft een liedje voor me wil zingen, blijft het een hele tijd stil. Juist op het moment dat ik zijn batterij wil gaan vervangen, komt er beweging in. Hij gaat een keer verzitten, knijpt zijn ooglidjes weer toe, kijkt me sluw aan en zegt…..: “NEEN.” Klaarblijkelijk heeft hij feilloos aangevoeld dat mijn zoon een nogal ferm grenzenbeleid hanteert.

Nou wil het gebeuren dat wanneer je die harige apparaten tegenover elkaar plaatst, ze tegen elkáar aan gaan staan te leuteren. Zo werd ik ongewild getuige van een conversatie tussen beiden. De stukken mechaniek, laten we ze gemakshalve Simon en Cécile noemen, kwamen tot een goed gesprek toen ze elkander toevallig tegenkwamen op de salontafel in de living…

Simon: “Wat zit je dom te kijken?”
Cécile: “Ja en?!”
Simon: “Heb je niks beters te doen?”
Cécile: “Neen.”

Stilte…

Simon: “Je mag trouwens wel eens naar de kapper.”
Cécile: (Strijkt onzeker over haar vacht) “Hoezo?”
Simon: “Nou, da’s duidelijk, je ziet er niet uit.”
Cécile: “Ik vond het anders best aardig zitten. Het heeft me uren gekost om de waterrollers op te warmen door er op te gaan zitten.”
Simon: “Oh, vind jij dat?
Cécile: “Ja, dat vind ik.”
Simon: “Mij best.”

Stilte…

Simon: “En toch zie je er niet uit.”
Cécile: “Tsssss, heb je je zelf al eens in de spiegel bekeken?”
Simon: “Kijk, meteen projecteren. Kun je niet tegen een portie opbouwende kritiek?”
Cécile: ” Noem je dat opbouwend?”
Simon: “Jee, wat ben jij lichtgeraakt zeg! Moet je soms ongesteld worden?”
Cécile: “Ik had het eigenlijk al moeten zijn…”

Stilte…

Cécile: “Ik moet het haar op je rug nog harsen deze week.”
Simon: “Je moet ook mijn voeten nog pedicuren. Ik loop onderhand scheef van die eksteroog tussen mijn middel- en ringteen.”
Cécile: “Ja, die kan ik meteen wel even meepakken.”

Stilte…

Cécile: “Je raadt trouwens nooit wie ik tegenkwam, afgelopen week bij de Jumbo!”
Simon: “Tonnie Broekman?”
Cécile: “Hoe weet jij dat?”
Simon: “Heb je al verteld.”
Cécile: “Oh.”

Stilte…

Simon: “Wil je koffie?”
Cécile: “Ja, lekker!”
Simon: “Als je dan toch gaat, neem voor mij dan ook een bakkie mee?”

Stilte…

Cécile: “Wat heb ik ooit in zo’n hork als jou gezien?! Ik moet wel heel erg droog hebben gestaan toen je met mij destijds stiekem naast het potje pieste.”
Simon: “Nou moet je ophouden!”
Cécile: “Ik ophouden? En hoe zit het dan met jouw zelfkritisch vermogen?”
Simon: “Zo zit ik nou eenmaal niet in elkaar, je weet wel, van Mars en van Venus.”
Cécile: “En dat ik je gisteravond met een handdoekje onder je piemelt heb getrapeerd, is zeker ook iets van Mars?”
Simon: “Dat zal ik wel moeten als jij je echtelijke plichten niet nakomt.”
Cécile: “Oh, meneer heeft klachten?”
Simon: “Nou, 9 keer per week is wat weinig, ja.”
Cécile: “Man, zwets toch niet! Mijn binnenvoering hangt ervan naar buiten en dat zijn niet alleen de vetcellen in mijn kont. Jij hebt gewoon een seksverslaving!”
Simon: “Ach, het beestje kan maar een naam hebben?”

Stilte…

Cécile: “Af en toe vraag ik me af of we niet beter uit elkaar kunnen gaan…”
Simon: “Als jij je nou maar eerst eens iets beter met het huishouden bezig hield, een paar kilo afviel, iets fatsoenlijks op tafel zette en me seksueel een beetje spannend tegemoet kwam, was er geen enkel vuiltje aan de lucht. Tenzij je met je dikke reet weer eens voor

mijn zon staat, natuurlijk.”

 IMG_0026

Stilte…

Cécile: “Wist jij trouwens dat vrouwen ook klaar kunnen komen?”
Simon: “Vuile slet!”
Cécile: “Nee echt, vrouwen schijnen een kieletorus te hebben, en dat moet ergens zitten tussen de binnenste flappen van eh…dat daar beneden.”
Simon: “En nou ga je me zeker ook vertellen waar je G-spot zit en dat vrouwen ook spuitend klaar kunnen komen?”
IMG_0025

Cécile: “Huh? Waar heb jij het nou ineens over?”
Simon: “Oh niks. Een man leest wel eens wat op internet.”

Stilte…

Simon: “Oe, dat windt me eigenlijk best op. Ik word opeens superhitsig! Zullen we effe?”
Cécile: “Nou, vooruit dan maar met de geit. Als ik die stoel tenminste van mijn kont af krijg.”
Simon: “Doe je dan een keer van die vieze dingen zeggen? Je weet wel, zo van ‘Laat me in je vieze badwater zitten. Laat me op je vuile sokken kauwen.’?
Cécile: “Hou jij ze dan aan tijdens de daad?”

En toen waren de batterijen op. Da’s nou sneu…….

(De naam Tonnie Broekman is trouwens een fictieve naam.) © JJMB Tops

IMG_0022

 

Feedback…

KarkasHerkent u het? Die onzekerheid die op komt zetten bij het mogen ontvangen van kritiek, terwijl ons juist wordt ingepeperd dat we er van groeien, er een beter mens van kunnen worden of beter ontwikkeld in ons vakgebied?
Toch is het best lastig om te gaan met kritiek. Of liever gezegd met ‘feedback’, zoals het vriendelijker wordt genoemd, verbeterpuntjes, als verkleinwoordje om het allemaal nog poezeliger te maken.

Raar woord eigenlijk, ‘feedback’. Feitelijk klopt het zelfs maar gedeeltelijk. De term doet immers geloven dat je ook iets terug mag geven. En dat lijkt vaak nou net niet de bedoeling als je kritiek krijgt. Dan hoor je die brok gewoon keurig netjes geheel en al door te slikken, daarna dankbaar te knikken en vervolgens te transformeren naar opnieuw een stukje beter, het pad der geweldigheid.

Om een ander te overtuigen van een gezond emotioneel quotiënt niveau, wordt er in professionele interactie van je verwacht dat je kunt laten zien dat je ook de mindere kanten over je functioneren kan incasseren. En daarna dat je daar dan ook nog iets mee doet. Dat heet ‘opbouwende kritiek’ en ‘zelfreflectie’ en je bent goed bezig als je deze termen waardig in kunt schuiven tussen je andere competenties.

We interpreteren kritische kanttekeningen vaak als een aanval op onze persoon en voelen ons afgewezen en schieten in de verdediging, omdat dan toch dat onzekerheidsmonster om de hoek komt kijken. Kritiek, hoe “opbouwend” ook en met hoe zacht poezelig jasje ook aan, vindt niemand leuk. Zeker niet wanneer je het zelf niet eens bent met de gegeven opmerkingen. Want dat kan natuurlijk ook. En dat zijn de lastigste gesprekken.
Waag het in zo’n geval voorál niet om de aangedragen op- en aanmerkingen te weerleggen, want dan “kun je niet tegen kritiek”.

Commando

Terwijl je welbeschouwd misschien wel kunt stellen dat zo een zender juist op zo’n moment niet helemaal tegen kritiek kan. Die wordt immers door de ontvanger terecht gewezen. En dat staat niet in het ongeschreven groepsprotocol, snotjandullemus! Dat flik je niet. En op jouw beurt word jij weer met des zenders twijfelmoedigheid om je oren geveegd. Het geven van kritiek is dus minstens zo penibel als het krijgen ervan. Van jongs af aan is ons bijgebracht anderen vooral niet te kwetsen. En daarbij weegt, eerlijk is eerlijk, persoonlijke voor- en afkeur voor bepaalde mensen stiekem toch een beetje mee. Jantje vinden we reuze sympathiek. Van hem zullen we meer kunnen verdragen dan van Marietje die we eigenlijk helemaal niet zo aardig vinden. Omdat ze gewoon een trut is of net even die iets kleinere maat broek past. Welbeschouwd is de kans dat Marietje dan op een strengere recensie mag rekenen als Jantje groter, laten we wel wezen. Eigenlijk zou kritiek alleen mogen worden gegeven wanneer je er je diploma voor hebt gehaald.

Mensen vinden mij soms nogal een lomp konijn. Dat verwondert mij. In mijn eigen beleving ben ik namelijk een pluis, snapt u? Ik zie er niet alleen onschuldig uit, ik bén het ook. En toch noemt men mij een lomp konijn.
Zoals ik juist aldoor mijn uiterste best doe mijn, -hoe noemden ze dat destijds toch in vakjargon-, kanttekeningen zo proportioneel en subsidiair als mogelijk over te brengen, zo doof lijkt de andere partij. Nog maar een schepje er bovenop. Complete radiostilte.
Tja, dan vraag je er toch om? Dan komt mijn ongeslepen, met kartelranden omlijste botte bijl op toffel. Dan bijt ik dus uw hoofd er af. Dan pas.

Of mijn doen en laten nou zo schril afsteekt bij mijn onnozele meisjesuiterlijk of dat mijn kritiek écht ongezouten is, weet ik niet. Maar ik weet wel dat, voordat die bijl tevoorschijn komt, er zeker een of tweemaal een poezelig veertje in je oor heeft gekieteld.

Maar vooruit, ik ken mijn tekortkomingen en beloofde op enig moment plechtig om er voortaan op te letten. Te beginnen in de auto. Ai, viel dat even tegen. Waar ik normaliter tegen mijn beslagen voorruit tierde, ademde ik nu 3 tellen in en 6 tellen uit. En alles ging prima. Tot ik mijn dochter vanuit de richting van de achterbank nuchter hoorde vragen: “Mam, gaat het wel goed met jou?”
“Met mij, poppetje? Met mij gaat het uitstekend. Hoezo?”
“Nou, eh, je bent zo lief!”
Ik was content en in mijn nopjes, ha, het viel blijkbaar op.
Toen ik zelfs geduldig een rollator, een 85-plusser tergend langzaam achter zich aan slepend, liet oversteken, klonk mijn meiske nu inmiddels behoorlijk vertwijfeld: “Oké mam, doe nou maar weer normaal. Je bent zo ontzettend eng nu.”

Ik kan dus beter gewoon lekker mezelf blijven. Als ik lief doe, ben ik eng. En dat wil ik u niet aandoen. Zo’n pluis ben ik. © JJMB Tops

Peuzel

De Tank…

Tank1Ik weet natuurlijk niet hoe het met u is gesteld maar ikzelf moet het schaamtevol bekennen, ik heb een hartgrondige hekel aan van die zogeheten zondagsrijders. De types, -vroeger meestal in een Volvo 340, tegenwoordig kruipen ze vooruit in van die opgehoogde blauwe Japanse enge dingen waar ze rechtop uit kunnen stappen-, die op zondagochtend vanuit de garage regelrecht naar de kerk reden en weer terug. Ik heb ze werkelijk nooit begrepen. Midden in de jungle reden ze dan, het welbekende vrome visje als teken van grijskleurig religieus fatsoen op de achterklep, tergend langzaam en met overdreven precisie binnen de streepjes over de weg, handjes tien voor twee aan het stuur, terwijl jij met hartkloppingen en je vingernagels in het rubber van je stuur je bloeddruk probeerde te reguleren. Echt, ze verdienden een sticker. Of een mooie pen.

Maar allez, zolang ze alleen nog maar op zondag tevoorschijn kwamen, voerde ik een gedoogbeleid en bleef ik geduldig bumperkleven. Maar voor hen geldt blijkbaar hetzelfde als voor kinderen. Wanneer je de teugels wat laat vieren, nemen ze meteen het hele paard. Ze kwamen op een zeker moment, -ze reden immers alleen zondag een uurtje op de weg-, ook op zaterdag tevoorschijn. Om te oefenen voor zondag. En dat was niet afgesproken, nee! Tandenknarsend zat ik erachter, het glazuur van mijn tanden af te bijten. Het liefst gaf ik ze een zetje. Een heel klein ieniemieniepietie boemsje met mijn voorbumper. Ik zat er toch bijna tegenaan, dan maakte die 3 cm immers ook niet meer uit, of wel? Ze gaan dus nooit vriendjes worden, zij en ik. De anti-sociale zondagsrijder versus de fatsoenlijke bumperklever die wél weet hoe het hoort.

Nu inmiddels al weer een aantal jaren geleden kwam een lang gekoesterde droom uit. Ik was op slag vreselijk verliefd. Na jaren kwijlend en vol verlangen nakijken (ook op zondag), kocht ik mijn mooie oranje glimmende stoere bolide. Ze noemen het ook wel liefkozend ‘bultje’, ‘druppel’ of ‘rugzakje’. De mijne heb ik omgedoopt tot ‘De Tank’, ook al is het een meisje. Op de achterkant staat het symbool voor haar karakter geschreven en op de voorruit wil ik ooit nog eens in spiegelbeeld de tekst “Opzij opzij, ik moet naar mijn duiven!’ Net als een luide luchthoorn waar ik dan zo’n melodie mee kan laten schallen door de winkelstraat. Zo’n deuntje als uit The Dukes of Hazzard. Cool.

Veel bekeuringen zal ik er niet mee krijgen. Op de snelweg rijdt ‘De Tank’, pakweg 2 jaar jonger dan ondergetekende, niet harder dan 90 km per uur. Optrekken doet zij al even zo schikkelijk. Vanuit mijn achteruitkijkspiegel zie ik de reacties van mijn achterbuurautomobilisten. De meeste mensen zie ik vertederd kijken: “Agossie, kijk daar nou”. Een lesauto hadden ze het liefst van de weg afgeramd, waar komt me dat toch bekend van voor? Ik grijp natuurlijk iedere kul-smoes aan om met mijn Tank te rijdelen. Daar word ik heel gelukkig van. Bij het groene verkeerslicht trekt ze langzaam op, achter mij een hele schare ‘zwaan kleef aan’. Onwillekeurig kijk ik in mijn make-upspiegel boven aan de voorruit, waar die dingen al niet handig voor zijn, plotseling verblind door twee grote Hummer-koplichten die 3 cm van mijn mooi glommend chrome achterbumpertje rijdt. Met een razende snelheid haalt het neurootje me driftig in, terwijl we allebei de bocht nog maken. Ik denk dat ik me ook alvast maar indek met een sticker op de achterklep met de tekst: “Sorry alvast!”

Tssssk, het is zondag, mensen. Mag ik even? © JJMB Tops

Tank3

Ik zie ik zie wat jij niet ziet…

Meevaller1Ik ben net als op telefoneren, dól op post. Bankafschriften, reclamefolders, het plaatselijke kerkblaadje of de bekende blauwe enveloppen, wanneer ik de brievenbus hoor klepperen en even later onze trouwe oud-Ergonman met zijn houten been zijn fiets hartstochtelijk voort zie duwen, trek ik een sprint naar de gang om mij door de piramidale berg papier te laten bedelven. Ik mag me weer verheugen op een middagje post sorteren. Je zou het bijna een fetish gaan noemen. Nog even doorsparen en we moeten een extra verdieping op de garage overwegen.

Laatst kreeg ik weer post. Dit keer van het CAK. ‘Het CAK?’, dacht ik, ‘ja ja’, en haalde mijn schouders eens op, terwijl ik me vertwijfeld afvroeg welke instantie er nu weer in het leven was geroepen en waarvoor. “Geachte mevrouw T”, stond er. Dat ben ik. En ik had recht op de ‘Compensatie Eigen Risico’ op basis van artikel 118a van de Zorgverzekeringswet. Let wel, een bedrag van maar liefst € 47,00! En dat alleen maar omdat ik in 2006 en in 2007 veel medicijnen gebruikte. Maar liefst 180 dagen per jaar een medicijn voor één aandoening. Dat moest beloond worden. Ik, ridder in de orde van Oranje-Nassau, grootverbruiker van Glaxosmithkline, drager van het schild van het Longfonds. Je zou nog trots worden op je aandoening.

Nou hoor ik u al denken: “Daar heb je haar weer met haar Red de Privacycampagne, fijn toch, zo’n meevallertje?” Ach, noem mij Octo, -die zure zeikbuum van Spongebob Squarepants. Jawel, u kent hem vast, die meervoudig getentakeld chagrijnige inktvis die altijd wat te zeuren heeft-, maar ik ben eigenlijk helemaal niet zo gecharmeerd van die mij opgedrongen compensatie. Ik, die zo gesteld is op de regie over haar eigen privacy, die van andere patiënten op haar werk altijd paranoïde de etiketjes van de lege doosjes medicijnen afhaalt en door de papierversnipperaar freest, was zelfs met stomheid geslagen. Deze compensatie, waar ik nota bene zelf niet om heb gevraagd, wordt namelijk in de maand november, ten name van ondergetekende, met de geboortedatum 00-00-0000, behorende bij Burger-Service-Nummer 000000000 op mijn rekening gestort met het bankrekeningnummer 00.00.000.000 via, laten we het voor het gemak bank A noemen. Vergoedingen door mijn Zorgverzekeraar worden altijd verrekend via mijn bankrekening bij bank B. Hoe deze voor mij totaal onbekende instantie aan mijn andere bankrekeningnummer komt, schiet U mij maar lek en ik vertel het u weer door. Het zal vast aan mijn BSN-nummer gekoppeld zijn? U mag nooit meer raden.

Om de hoogte van de compensatie te kunnen bepalen, heeft men dus mijn medische gegevens nodig gehad. In ieder geval heeft men navraag moeten doen bij mijn zorgverzekeraar over mijn chronisch medicijngebruik. En dat met terugwerkende kracht in 2007 én 2006. Hoe zit dat eigenlijk met het privacyreglement van de zorgverzekeraars? Hadden die niet een geheimhoudingsplicht? Zal vast weer ergens in een of ander vaag wetsartikel, subcategorie bladiebla zijn afgedekt. En ach, deze medische gegevens zijn vast verstrekt onder die restrictie dat de partij aan wie deze werden verstrekt, ook weer geheimhoudingsplicht heeft. Voor wat het waard is natuurlijk. Want wat heb je aan die geheimhoudingsplicht en privacywetgeving wanneer regelingen te pas en te onpas kunnen worden bijgesteld in allerlei vage en moeilijk omschreven wetten en reglementen, omdat de overheid weer eens iets verzint en de een na de andere zorgverzekeraar knus met elkander fuseert en de klittende verzekeringskliek die kennis kan nemen van uw medische situatie, steeds groter en groter wordt. En wat gaat er allemaal in de toekomst nog veranderen? Want nu heeft politie, arbodienst, werkgever of belastingdienst nog geen enkele inzage. Maar blijft dat ook zo? En wat heeft u aan die geheimhoudingsplicht als heel Nederland wel ergens bij een overheids- of zorginstantie werkt? Of er een vriendje heeft werken die bereid is om door de vingertjes te kijken op dat ene speciale momentje.

Inmiddels heeft bijna iedere inwoner van Nederland wel ooit de brief van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het landelijk elektronisch patiëntendossier op zijn deurmat gekregen, en voor inzage in zijn patiëntendossier zijn handtekening mogen beitelen. Mocht u straks een been breken in Leeuwarden en wil de specialist aldaar bekijken hoe het met uw botontkalking is gesteld en wat u daar voor medicijnen voor gebruikt, dan ziet hij ook in één oogopslag de problemen die u heeft met hoe droog u bent tijdens de seksuele daad en dat de daaruit voortkomende vaginistische reactie op de Spoedeisende Hulp verholpen moest worden met spierverslappers nadat u in innige omstrengeling met uw (bed-)partner door de brandweer uit uw bovenwoning getakeld bent moeten worden. Ach ja, dat had nog in de krant gestaan. Met foto. Niet bepaald een geruststellend idee, of wel? Ze lieten u eindelijk weer een beetje met rust op de vleeswarenafdeling van de plaatselijke buurtsuper. Het gaat hem in ieder geval geen donder aan. Wist u dat het inmiddels is het al zo ver gesteld dat wanneer u psychische hulp via de AWBZ nodig heeft, omdat u deze hulp particulier niet kunt betalen en de karige behandelingsaantallen in de basisverzekering niet toereikend zijn, de behandelend psycholoog verplicht is om uw gehele dossier over te dragen aan uw zorgverzekeraar, met álles wat erin staat, officieel gestelde diagnoses en de gehele kakketoe? En dat is, als een stempel op uw voorhoofd, vastgelegd voor weet ik waar en hoelang. Troost u, er wordt nog geen nummer op de binnenkant van uw pols getatoeëerd. Ikzie1

De schijnbaar goede bedoelingen van onze minister ten spijt, ik heb destijds het bezwaarformulier ingevuld en opgestuurd, en dat had nog wat voeten in aarde. Maar liefst 4 keer kreeg ik ze teruggestuurd. Ik verdenk ze nog altijd van ontmoedigingsbeleid. Wat u zelf besluit, daarin kan ik u niet adviseren. Maar mocht u denken ‘Ach, ik heb niets bijzonders, ik kom zelden bij de dokter’, houdt u dan in het achterhoofd dat tijden zo maar kunnen omslaan, en dat onze regering net zo veranderlijk is als het weer. Zij kan de wet zomaar aanpassen of uitbreiden als dat op een zeker moment beter in hun straatje past. Want wat is de volgende stap? Dat u wordt verplicht om uw DNA vast te laten leggen? Uw bezwaar daartegen wordt gesust met het smoesje dat er vertrouwelijk wordt omgegaan met uw DNA. Vraagt u zich nooit af wat er eigenlijk gebeurt met uw DNA als u net die bloedtransfusie heeft gedoneerd? Ze zullen maar nét op dat ene korte moment, voordat de celletjes zich weer aan die van de serieverkrachter heeft aangepast, nét die ene cel van u hebben afgetapt. Heeft u toch op zijn minst iets uit te leggen en het kost u wel een vrije middag.

De stap om vervolgens de politie meer bevoegdheden te geven in de zogenaamde ‘alleen uitzonderlijke gevallen hoor!’ is door de overheid sneller gezet dan u denkt. En het zal maar weer net uw speeksel zijn aan het kopje aardewerk bij uw oud-tante op de salontafel, wanneer zij bruut is afgeslacht nadat u haar nog levend en wel ‘tot volgende week’ gedag heeft gekust en achtergelaten. Heeft u opnieuw iets uit te leggen aan die steeds in slaap sukkelende rechter die klokslag 17.00 met zijn vrindjes nog een balletje wil slaan op de Bosche Golf. Genoeg gerechtelijke dwalingen hier in Nederland bewijzen hoe mis het kan gaan. Lucia weet er alles van. Kent u nog het verhaal van die rechter die aan zijn buurman-officier van justitie vroeg om de antecedenten van het nieuwe vriendje van zijn dochter na te kijken? En wilt u nog weten hoeveel hits er gevonden werden op inzage in het politiedossier van meneer Kluivert, toen die van verkrachting werd beschuldigd? Allemaal politiecollega’s die er niets in te schaften hadden.

Nieuwsgierigheid is mens eigen. Wat dacht u van het gegluur van de Amerikaanse inlichtingendienst in onze systemen? De wereld is kleiner dan u denkt en het gebeurt terwijl de grenzen hierin door de overheid steeds een stukje worden opgerekt. U doet er in ieder geval verstandig aan om de gevoelige zaken die u met uw huisarts bespreekt zo summier mogelijk te laten vastleggen in uw medisch dossier en vraag regelmatig inzage in uw dossier. Weet wat er over u wordt vastgelegd en laat er datgene uithalen dat niet klopt of waar u zich niet prettig bij voelt. U heeft er recht op. Zorg dat u de regie houdt over wat er allemaal over u wordt neergeplemd En wat er van en over u wordt gevonden.

Onderaan de brief van het CAK stond nog het volgende: “Klopt uw rekeningnummer niet? Of wilt u dat het CAK de vergoeding overmaakt naar een ander rekeningnummer? Vul dan de bijgevoegde antwoordkaart in en stuur deze binnen twee weken terug naar het CAK. Met vriendelijke groet, de Teamleider CAK.” Beste meneer of mevrouw Teamleider, -uw naam kon er blijkbaar niet af op uw geautomatiseerde vodje-, zou u dan ook zo vriendelijk willen zijn om mijn ándere bankrekeningnummer te gebruiken? U weet wel, die van bank C. Want houdt u zich nu niet van de domme, ook deze zal ongetwijfeld wel bij u bekend zijn. © JJMB Tops

Lees en huiver ook hier…

Meevaller2

Helderheid? Lastig hè…

Oké, ik ben inderdaad niet echt dol op ‘de mens’ in het algemeen, moet ik u billijk bekennen, maar dat is ook algemeen bekend. De specifieke, individuele mens kan ik op zijn tijd in het algemeen best waarderen. Moeten ze wel normaal doen. Maar wat is dat dan eigenlijk, normaal? Is dat een definitie volgens uw waarden en normen, die van mij, de burgemeester? Daar kan stiekem toch een hoop verschil in zitten en wie bepaalt welke wijsheid van wie ook meteen norm is voor de ander? Tja, dat zijn lastige vraagstukken.

Een beetje verdraagzaamheid en vriendelijkheid komen, wat mij betreft, al gauw om de hoek kijken. Maar vooral rédelijkheid is voor mij één van de meest specifieke kenmerken van ‘normaal’, zo in het algemeen. Anders ben ik namelijk niet verdraagzaam en vriendelijk. En dat werkt in het algemeen weer niet zulks verdraagzaam en vriendelijk mensgespuis in de hand. Maar wat is dát dan weer, redelijk? Tja, zoiets voel je in je onderbuik opborrelen. Zo’n gevoel van onwel bevinden, dat bij enige constatering, vanuit je tenen omhoog kruipt en je, bij vlagen, tijdelijk niet bepaald toerekeningsvatbaar maakt. Da’s inderdaad best lastig. Zo kan ik bijvoorbeeld niet zo goed tegen onbeschoft caissièrepersoneel. Zoiets als achterstevoren, enthousiast op een Bubblicious kauwend, het afgelopen weekend besprekend met collega-puistje. Maar tréf je dan, zoals hier in het dorp, een gezellige buurtsuper-Appie en dito personeel dat zich nog wél inspant en u als klant een hartelijk woord gunt, dan moet u het als bedaagd vrouwmens ook weer niet wagen om te gaan staan zemelknopen over onbenullige dingen. “Ja, dat vergeten jullie wel eens vaker, hè?”, luidde het zure commentaar van een al even zure oudere dame, toen kassajuf het bonnetje in de vluchtigheid niet snel genoeg overhandigde. “Het is maar waar je wakker van ligt”, kon ik het niet nalaten het schaamblozende meiske bij te staan. “Ja, maar als ik over een paar dagen ontdek dat ik mijn bonnetje niet heb, vind ik dat erg vervelend”, kweelde het kadaver terug. “Ach mevrouw”, lispelde ik, terwijl ik mijn meest geruststellende intonatie tevoorschijn toverde, “een terminaal ziek kind, da’s pas vervelend”. Die jeugd van tegenwoordig…

Toen ik ooit met mijn waggelend kroost achter mij aan, op een drukke koopzondag ergens in het noorden van Limburg, bij gebrek aan een stoep, noodgedwongen op het fietspad terug naar de auto liep, hoorde ik van achter mij een vrouw van bovengemiddeld belegen leeftijd in bits plat Limburgs zeggen: “Ag Sjeng, ezzit nit optiet opzie geet, rie ich ut gewoen um!”
Kijk, en dán houd ik van helderheid. Met luid commentaar beet ik haar mijn ongenoegen toe over haar dreigement mijn grut aan gort te rijden als mevrouw er niet tijdig genoeg langs kon als het haar bliefde. Schaterlachend en trots om haar eigen heldhaftigheid herhaalde ze, dit keer op z’n onvervalst Hollands, haar voornemen, onderwijl met samengeknepen knietjes toch maar fors doorfietsend. Het werd zwart voor mijn ogen met rode schiebers erdoor. Ik wilde bloed zien en, in zo’n vlaag van verstandsverbijstering als eerder voornoemd, zette ik de galop erin achter haar aan. “Ans, vits door, vluggg, dor kump ze oan, rappp doorvitzen Ans!”, hoorde ik Sjeng paniekerig zijn vrouw aansporen. Ans maakte dat ze weg kwam, maar verkeek zich klaarblijkelijk in mijn lichamelijke conditie. En Ans had een nauwe bips en een nog nauwer strottenhoofd toen ik haar bij de bagagedrager van haar fiets te pakken had. Ans kreeg even flink de wind van voren. Zo flink dat de sluitkracht van mijn sluitspier een loopje met mij nam, incontinent als ik ben. Van pure drift en opruiend onrechtvaardigheidsgevoel plaste ik ervan in mijn broek. De aan mijn bloedjes beloofde ijsco moest tot nader order worden uitgesteld. Maar Ans neemt zich nimmer meer voor kleine kindertjes omver te ‘vitsen’ als ze niet snel genoeg aan de kant gaan. Anders belandt Ans volgende keer met ‘vits’ en al in de vaart.

Eigenlijk val ik best mee. Ben ik dus helemaal niet zo lastig, vind ik. Zolang iedereen maar gewoon doet wat ik zeg. Helder toch? © JJMB Tops

Helder1

Afwijking of achterhaalde moraal?

Martijn staat de laatste tijd weer in de belangstelling. Op zich niets mis mee, als je het gedachtegoed wilt promoten waar je voor staat. Maar tegen Martijn wordt een hetze gevoerd. Je reinste heksenjacht, alleen maar vanwege zijn gedachtegoed. En zijn gedachtegoed is een vrijbrief voor seks met minderjarigen. Want ook minderjarigen hebben recht op seks, vindt hij. Wie zijn wij, volwassenen, om voor minderjarigen te kunnen bepalen wanneer ze rijp zijn om seks te bedrijven? Martijn kan dat, volgens hem, juist op een liefdevolle manier en wij ontnemen door onze vertroebelde zienswijze en onze verkrampte seksuele moraal onze minderjarige kinderen daarmee een belangrijke stap in hun ontwikkeling.

Dat is dus reden voor Martijn om de discussie aan te gaan over acceptatie van pedofilie en relaties tussen ouderen en kinderen. De weerzin die het onderwerp opwekt, is volgens Martijn niet terecht en het is gewoon een kwestie van een gewenningsproces, waardoor de moraal, die er bij ons in de loop der tijd door indoctrinatie is ingegroeid, langzaam vervaagt en we pedofilie straks eindelijk normaal kunnen gaan vinden. Het is eigenlijk net zoals het met de homofielen en lesbiennes is gegaan, zegt Martijn. Daar moesten we immers een eeuw geleden ook niets van hebben. Tegenwoordig varen ze, al tongend, eens per jaar en in schaars roze boa’s, met zwaaiende blote piemels op een boot door de grachten van Amsterdam. Wie had dat gedacht?

Nu walgen we nog van mannen die hitsig worden van een knaapje in een luier, maar zeg nu zelf, wat is er mooier dan een huilend knaapje in het bos dat in zijn broek heeft geplast, toch getroost wordt als we zelf niet in de buurt zijn? Dat het troosten een seksuele lading heeft, is dus alleen maar een kwestie van wennen voor ons. En voor het knulletje die daarna alleen maar huilt omdat hij op zijn beurt weer is geïndoctrineerd door zijn ouders. De trauma’s die zo’n joch oploopt, zijn juist te wijten aan hoe spastisch er met pedofilie wordt omgegaan in de maatschappij. En nu is Martijn dan uiteindelijk door de Hoge Raad bij de wet verboden en ontbonden.

Martijn wordt van alle kanten verkeerd begrepen. Hem wordt meteen de mond gesnoerd, als hij zich ook maar even laat horen. Overal wordt hij geweerd. Hij wordt zelfs van zijn studie orthopedagogiek op de universiteit afgeknikkerd, terwijl hij juist zo goed is in het troosten van ontspoorde probleemkindertjes. Hij heeft daar namelijk een geheel eigen methode voor ontwikkeld, maar als wij hem de kans niet willen geven…

Ik begrijp Martijn. Ik begrijp hem zelfs erg goed. Ik heb namelijk iets op te biechten. Ik heb ook een seksuele afwijking. En die heb ik veel te lang verborgen moeten houden. Het wordt tijd dat ik die afwijking eens uit het verdomhoekje haal, er de discussie over aan ga. Dat de strafbaarheid daarvan eens gewijzigd gaat worden in de wet en dat mijn afwijking bestaansrecht krijgt.
Ik heb immers recht op mijn seksuele geaardheid, niet waar Martijn? Zo is het!

Ik word namelijk vreselijk opgewonden van het in elkaar slaan van pedoseksuelen.

 

Afbeelding